Home Organisatie Monumenten Activiteiten Terugblik Weblinks Contact Zoeken
 



I. De CisterciŽnzer orde in Europa
Als oorsprong van de orde wordt het jaar 1098 genoemd toen Robert van Molesme met een 20-tal monniken een nieuw klooster stichtte in de afgelegen plaats CÓteaux. Zij waren ontevreden over de wijze waarop in Cluny, waar ze vandaan kwamen, de strenge leefregels van Benedictus werden nageleefd. In het nieuwe klooster hoopten zij de strenge leefregels van armoede en soberheid wel te kunnen realiseren. Ofschoon met niets begonnen, groeide het klooster snel. En tussen 1110 en 1115 werden er vier dochterkloosters gesticht, La Fertť, Pontigny, Morimond en Clairvaux. In Clairvaux werd de jonge edelman Bernardus van Fontaires tot abt gekozen. Met name deze Bernardus van Clairvaux werd een uiterst belangrijk man.

Vanuit deze vier abdijen ontstaat al snel een groot netwerk aan kloosters. Soms sloten bestaande kloosters zich bij de nieuwe orde aan, soms werden nieuwe kloosters gesticht. Elke abdij kon weer nieuwe dochterkloosters stichten. Halverwege de 12e eeuw waren er al zoín 300 kloosters verspreid over Europa. Rond 1200 was dat aantal gegroeid tot 500. Het eerste klooster in Nederland, Klaarkamp, werd in 1160 gesticht. Het klooster in Aduard kwam in 1192 tot stand als dochterklooster van Klaarkamp, met als patroonheilige Bernardus van Clairvaux.


CisterciŽnzer kloosters in Europa
Dit grote netwerk werd bijeen gehouden door een jaarlijkse, wetgevende vergadering, het Generaal Kapittel onder voorzitterschap van de abt van CÓteaux. Alle abten waren verplicht dit Kapittel bij te wonen. Alleen bij uitzondering kon men zich laten vertegenwoordigen. Alle abten hadden dezelfde rang, behalve de abten van de vier hoofdkloosters. Jaarlijks vonden er bovendien inspecties, zogenaamde visitaties, van de dochterkloosters plaats door het moederklooster.

In het midden van de 12e eeuw werden de CisterciŽnzers steeds machtiger zowel in de kerk als in de wereld. En Bernardus van Clairvaux werd een van de machtigste mensen van Europa. Hij had een ongekend charisma en een enorm organisatietalent. Hij had contacten met vele kerkelijke en wereldlijke heersers en adviseerde prinsen, koningen en zelfs keizers. Hij streed op vele fronten voor het behoud van het Christendom. Zo riep de Paus onder andere zijn hulp in bij het bestrijden van de ketterij in de Languedoc. En in 1146 reisde hij door Frankrijk, Duitsland en BelgiŽ en predikte overal om de mensen op te roepen deel te nemen aan de 2e kruistocht. Bernardus stierf in 1153.

Ook op het economische vlak werd de orde steeds belangrijker. De regel van de orde was, dat kloosters van hun eigen arbeid moesten leven. Het was daarom noodzakelijk dat zij landbouwgrond hadden om dat wat zij nodig hadden te verbouwen. Zij verkregen de grond door giften want het was de kloosters, volgens de regels van de orde, niet toegestaan grond te kopen. En opdat de monniken zich konden weiden aan het koorgebed, werd de grond bewerkt door conversen en lekenbroeders, die aan het klooster verbonden waren. Er werden gronden ontgonnen, dijken en sluizen gebouwd en veel nieuwe landbouwmethoden ontwikkeld. Doordat er meer geproduceerd werd dan het klooster voor eigen gebruik nodig had, groeide ook de handel. Daarnaast ontstonden er industriŽle Ė en nijverheidsbedrijven, zoals molens, smeltovens, spinnerijen en brouwerijen. Ook het materiaal voor de bouw van de kloosters werd door de monniken zelf vervaardigd.

Rond 1200 was de orde toonaangevend in Europa zowel politiek als economisch. de invloed binnen de kerk was aanzienlijk met 94 bisschoppen en een paus afkomstig uit de gelederen van de orde. Het totale grondbezit is moeilijk exact vast te stellen maar lag ergens tussen 1,5 en 2 miljoen hectare.

In de 14e en 15e eeuw kwam de orde tot verval. PestepidemieŽn decimeerde op veel plekken het aantal monniken. Oorlogen, met name de 100-jarige oorlog in Frankrijk, zorgden voor economische crises en bemoeilijkte handel en contacten tussen de kloosters. En twisten binnen de kerk, zoals het Westers Schisma (1378-1417), toen pausen en tegenpausen elkaar tegenwerkten, zorgde ook voor onenigheid tussen kloosters.
Maar ook binnen de kloosters ging het mis. Steeds vaker werden regels niet nageleefd. Men kocht grond en ook andere bezittingen als kerken en molens. En er kwamen steeds minder lekenbroeders om de arbeid te verrichten. Dat had verschillende redenen. Dikwijls voelden zij zich sterk vernederd binnen de kloostergemeenschap, waar zij niet dezelfde rechten hadden als de monniken. Zij mochten bijvoorbeeld niet leren lezen. Op verschillende plekken kwam het zelfs tot opstand van de lekenbroeder. Bovendien bood de opkomst van de steden en de burgerij nieuwe mogelijkheden op het gebied van handel en nijverheid. De steden kregen eigen scholen en universiteiten. Men hoefde niet meer naar het klooster voor een dak boven je hoofd, eten en veiligheid.

De bloeitijd van de CisterciŽnzers was voorbij.

Bronnen:
- Een klooster drie dorpen, Geschiedenis van Aduard, Den Ham en Den Horn, Profiel, 1992
- Gaud, Henri, CisterciŽnzer abdijen, KŲnemann 1999