Achtergrondinformatie 2009


In het programmaboekje stond een bijdrage van Jan Oldenhuis over Grijpskerk en de omliggende dorpen. Het boekje bevatte daarnaast een bjdrage van Tymen Wierstra over de melkfabriek van Grijpskerk.
Uitgebreid Nieuws
Grijpskerk
Grijpskerk ontstond aan de zeedijk die omstreeks 1425 werd aangelegd. Het dorp heette aanvankelijk Westerdijken maar kreeg pas later de naam Grijpskerk naar de stichter van de kapel: Nicolaas Grijp. Het dorp kwam tot ontwikkeling tengevolge van de inpoldering van de Ruigewaard die in die jaren tot stand kwam en het dankte zijn bloei aan zijn ligging aan de belangrijke verbindingsweg tussen Groningen en Friesland. Het dorp kreeg een krachtige impuls met de aanleg van de spoorlijn Groningen – Leeuwarden in 1866, de eerste spoorbaan in de provincie Groningen. Grijpskerk heeft nog een aantal fraaie renteniershuizen uit het laatste deel van de negentiende en uit het begin van de twintigste eeuw.

De kerk van Grijpskerk
In Grijpskerk, dat in het laatst van de vijftiende eeuw op een dijk ontstond, stichtte Nicolaas Grijp in 1504 een kapel voor de boeren van de Ruigewaard. Deze kapel werd later tot kerk verheven, de huidige kerk van Grijpskerk. In 1582 werd dit godshuis slachtoffer van oorlogshandelingen en het kon pas rond 1612 weer worden herbouwd en wel in classistische stijl.
De kerk heeft grote vensters, die door een lijst ter hoogte van de boogaanzet met elkaar verbonden zijn. Het muurwerk wordt gemarkeerd door een soort steunbeer die vlak boven de grond uitzwenkt. Boven de ingang aan de westzijde herinnert een gedenksteen nog aan de herbouw in het begin van de 17e eeuw. In die tijd kreeg de kerk ook haar slanke toren boven de westgevel. Een grote ingreep kreeg de kerk in 1856 toen het gebouw werd bepleisterd en naar het oosten verlengd. Het oude meubilair: banken, doophek en notabelenbanken werden in 1967 uit de kerk verwijderd en de preekstoel werd verplaatst. De preekstoel, uit het laatst van de zeventiende eeuw, heeft een kuip met vlakke balusters op de hoeken en op de bovenrand een zandloperhouder en een dubbele kandelaar. De trap heeft achttiende-eeuwse rococovormen. Het orgel werd in 1832 gebouwd door de firma L. en J. van Dam in Leeuwarden en in 1868 gewijzigd door de firma Van Oeckelen.

Het Hoendiep
In het begin van de zeventiende eeuw vond er een revolutie plaats in het verkeer te water door het invoeren van de trekschuit. Het gebruik van de trekschuit vroeg om een ingrijpende aanpassing van het diep dat in een trekvaart veranderd moest worden. Zo moest er langs het kanaal een jaagpad komen voor de paarden die het schip voort trokken en in veel gevallen dienden er zelfs nieuwe stukken vaart te worden gegraven. Toen het Hoendiep als trekvaart naar Friesland werd aangelegd, tussen 1653 en 1657 kwam er een geheel nieuw kanaal vanaf Briltil, via Noordhornerga naar Gerkesklooster met aan de noordzijde de trekweg. Dit tracé vanaf Noordhornerga maakt thans deel uit van het Van Starkenborghkanaal. Voordien liep de vaart naar Friesland vanaf Briltil, langs de noordzijde van Oldekerk, Sebaldeburen en Doezum. Bij kruising van het Wolddiep werden sluizen aangelegd en de oude Gaarkeuken, die aan het Caspar de Roblesdiep lag, werd verplaatst naar de plek bij deze sluizen. Gaarkeuken was een herberg waar reizigers een warme maaltijd konden krijgen.

Het Poeldiep
Nadat de trekvaarten in de provincie gereed waren gekomen probeerden de meeste dorpen een aansluiting op het trekdiep te krijgen. In Grijpskerk waren er al plannen voor zo’n aansluiting toen het Hoendiep als trekvaart nog niet gereed was. Er werd toen een trekweg aangelegd langs het Wolddiep vanaf Ooster- en Westerzand tot het Hoendiep bij Gaarkeuken. Vanaf het Hoendiep tot Grijpskerk werd het Poeldiep aangelegd als een complete trekvaart en zo kon het dorp Grijpskerk in het nieuwe verkeersnet van die dagen worden opgenomen.

Gaarkeuken
De naam Gaarkeuken herinnert aan de herberg die aan het trekdiep lag en de reizigers van een warme maaltijd kon voorzien. Bij Gaarkeuken kwam in 1864 een schutsluis om de scheiding tussen het niveau van de Groninger en de Friese boezems vast te houden. Spoedig daarna werd de sluis te krap voor de steeds groter wordend stoomboten. Daar de scheepvaart met steeds grotere schepen toenam, moest er voor bredere en diepere kanalen worden gezorgd. In 1924 kreeg Gaarkeuken een voor die tijd enorme sluis, die in de jaren zeventig ook weer vervangen moest worden door een grotere met een schutlengte van 190 meter met een wijdte van 16 meter en een drempeldiepte van bijna vijf meter.

De molen van Grijpskerk
Aan de westzijde van het dorp ligt de molen ‘De Leeuw’ uit 1899, gebouwd door R. Kruisinga en M. Noordewier te Niezijl. De molen is een achtkant en afkomstig van de oliemolen in Niezijl. De molen is in 1962 door de gemeente Grijpskerk aangekocht en in 1963-1964 gerestaureerd door de molenmakers Dijk & Alserda. In de jaren 1974 – 1975 heeft de molen opnieuw een grote beurt gehad. .

Watermolen Westerhornerpolder
Deze achtkante bovenkruier werd in 1829 gebouwd door de molenmaker M. Noordewier te Niezijl voor de bemaling van de Westerhorner molenpolder met een grootte van 419 hectare. De molen staat op veldmuren, heeft een rieten kap, is zelfzwichtend en heeft een vlucht van 19,50 meter. De molen is in een slechte staat van onderhoud. De molen staat aan de westzijde van het Poeldiep op een afstand van ongeveer 200 meter van de spoorbaan.

De zuivelfabriek te Grijpskerk
In 1889 kreeg Grijpskerk haar zuivelfabriek die door een groep boeren was gesticht. De fabriek draaide goed want in 1893 was de fabriek al te klein en moest er uitbreiding plaatsvinden. De fabriek werd toen gemoderniseerd en kreeg een ijshuis en een kaaspakhuis. In 1912 mocht dit bedrijf zich scharen onder een van de grootste zuivelfabrieken in Nederland en haar boter werd op een tentoonstelling in Budapest bekroond een gouden medaille. De fabriek bleef goede producten leveren en de Kievitkaas had een klinkende naam.
In 1969 werd de fabriek gesloten en de eigendommen werden overgedragen aan de ‘Coöperatieve Zuilvelindustrie G..A’. te Gerkesklooster.

Kommerzijl
Kommerzijl ontstond in de het tweede deel van de zestiende eeuw toen Wigbold van Ewsum, heer van Nienoord, hier in 1571 een zoutziederij stichtte in samenwerking met een aantal rijke Keulse heren. Dit zout werd gewonnen uit veen dat met zout doordrenkt was en zowel binnen- als buitendijks werd aangetroffen onder de kleilaag. Het werd uitgegraven, gedroogd en vervolgens verbrand. De zouthoudende as werd opgelost in zeewater en vervolgens werd dit mengsel ingedampt in grote pannen. Van Ewsum beschikte voor de zoutziederij over goedkope brandstof: turf uit de Nienoordse venen. Op de plaats van een boerderij, die hij had aangekocht liet hij woningen en keten bouwen en verbreedde de dijk tot een ‘Opslag’. De turf werd aangevoerd via Niezijl. In 1562 had Wigbold al een betere verbinding met de zee gemaakt door de oude Sloterzij te verleggen naar Niezijl. De onderneming werd echter bedreigd door rondtrekkende watergeuzen en daarom liet Caspar de Robles soldaten legeren op de Opslag en naderhand legde Wigbold er een schans aan. Deze schans, een belangrijk strategisch punt vlak bij zee, is zowel in handen geweest van de Spanjaarden als van de Staatsen toen dit gebied in de jaren 1580 tot 1594 een toneel van veel strijd was.
In Kommerzijl lagen later ook de sluizen op de plaats van de huidige brug waardoor het water werd geloosd op de Lauwerszee. Deze sluizen raakten overbodig toen de het Reitdiep bij de Lauwerszee werd afgesloten.

De Hogedijk en de Waarddijk
Rond de Ruigewaard ligt nog steeds de bedijking die omstreeks 1425 werd aangelegd. Deze dijk vinden we terug als Hogedijk vanaf Niezijl in de richting van Kommerzijl, de Oosterwaarddijk van Kommerzijl naar Pieterzijl en de Pieterzijlsterweg vanaf Pieterzijl in zuidelijke richting naar de Friesestraatweg. Als basis voor de aanleg van deze dijk diende de dijk waarop de dorpen Niezijl en Grijpskerk zijn aangelegd en die nog grotendeels terug te vinden is in de Friesestraatweg. Nadat door de aanleg van de Pieterzijl en de Munnekezijl de afwatering en de bedijking langs de Lauwers goed beheerst werd, kon deze Waarddijk, een gigantische onderneming in die dagen, worden aangelegd.

Boerderij ‘De Pol’, Stadsweg 1 Lauwerzijl
Boerderij ‘De Pol’ was lange tijd bezit van de stad Groningen. De stad Groningen kocht in 1713 ‘De Stadspolle’ of ‘het Eyland, dat toen nog een stuk kwelder was. Hiermee vergrootte de stad haar bezittingen aan de mond van het Reitdiep, want ze had al vanaf de vijftiende eeuw een deel van het Ruigezand in eigendom Ze kocht ‘De Polle’ waarschijnlijk om haar toezicht op de monding van het Reitdiep te versterken. Bovendien hoopte ze de grote kwelder, die aan De Pol grensde, ooit in te kunnen polderen. Dit laatste lukte haar pas nadat het Reitdiep in 1877 was afgesloten. Zo ontstond, grenzend aan boerderij De Pol, de Nieuwe Ruigezandsterpolder met ruim vierhonderd hectare landbouwgrond, dat eigendom werd van de stad. ‘De Stadpolle’ werd in 1841 in cultuur gebracht en zo ontstond boerderij ‘De Pol’ die door de stad Groningen werd verpacht, totdat ze de boerderij in de twintigste eeuw van de hand deed.

Niezijl
Niezijl ligt in de zeedijk die omstreeks 1425 werd aangelegd en nog steeds deel uitmaakt van de Friesestraatweg. Niezijl dankt zijn naam aan de komst van de Nije Sloterzijl of kortweg de Nije of Niezijl genoemd, die hier omstreeks 1562 werd gebouwd. Deze sluis was ter vervanging van de Sloterzijl die westwaarts vanaf circa 1425 in de dijk lag en waardoor het oostelijke deel van Vredewold afwaterde. In 1562 werd het Sloterzijldiep, thans deels Lettelelberterdiep en Hoendiep, vergraven naar Niezijl als Nijesloterzijldiep. Zo ontstonden bij Niezijl twee sluizen. Want de Bomsterzijl lag daar al waardoor Langewold en West Vredewold afwaterden. Wigbold van Ewsum had ook veel belang bij de aanleg van het Nijesloterzijldiep, om zijn turf naar zee en naar Kommerzijl te vervoeren voor zijn zoutwinning.
Daar Niezijl op de grote weg naar Friesland lag, is hier ook vaak veel strijd geleverd en daarom werd er in Niezijl een schans gelegd, die in 1581 bezet was door Staatse troepen. De schans werd in september 1581 belegerd door de Spanjaarden maar ontzet onder leiding van Willem Lodewijk en de Engelse legeraanvoerder Norrits. Van die strijd is nog een erepenning bewaard gebleven waarop de schans van Niezijl staat afgebeeld. Na 1594 ontwikkelde Niezijl zich langzamerhand tot een dorp en kreeg in 1661 zijn kerk.

De kerk van Niezijl
De kerk van Niezijl kwam gereed in 1661. Het is een zaalkerk met een kleine klokkentoren. De muren zijn door pilasters in vijf vlakken ingedeeld waarvan drie vlakken een grote rondboogvenster hebben met vorktraceringen. De oostwand heeft geen versiering maar alleen twee vensters. Zowel aan de noord- als aan de westzijde is er een ingang met in de boog natuurstenen blokken waarop het jaar 1661 vermeld staat. Boven de noordelijke ingang treffen we weggehakte familiewapens aan, een spoor van de Franse revolutie.
Het interieur heeft een opmerkelijke gaafheid en eenheid De preekstoel dateert uit de 17de eeuw en heeft Vredeman de Vries decoraties, een veel gebruikte stijl in die dagen. Op de hoeken staan gegroefde halfzuiltjes en de velden zijn gevuld met toogpanelen. De kerk heeft nog een doophek en een eenvoudige herenbank met sierlijkehoekzuiltjes. Het orgel, vervaardigd door de fa. Leichel uit Arnhem in 1879, telt 12 stemmen. Ten behoeve van dit instrument werd het plafond verhoogd tot een tongewelf. Voor het overige heeft de kerk een vlak balkenplafond op sleutelstukken

Watermolen ‘De Zwakkenburger’
De Zwakkenburger is een achtkante bovenkruier, gebouwd ter bemaling van de Zwakkenburger- of Ellertvelderpolder. De Zwakkenburger is een molen aan de spoorbaan tussen Noordhorn en Gaarkeuken, aan de oostzijde van het Hoendiep. Het is de kleinste watermolen in deze provincie en ze werd gebouwd in 1865. Vanaf het begin van de jaren negentig nam de 'Molenstichting Westerkwartier' deze molen over en ze wist geld in te zamelen voor de restauratie. De molen kon na de restauratie in 2003 op windkracht weer water uit de polder opmalen.

Visvliet
Het dorp Visvliet ligt aan de oude Heerweg naar Friesland, de weg waarover rond 1840 de Friesestraatweg werd aangelegd. Daar het aan de heerweg lag heeft het dorp in tijden van oorlog geleden onder de legers die hier langs trokken. Het dorp heeft nog enkele oude straatjes. Eise Eisinga, de bekende stichter van het planetarium te Franeker, vond hier zijn toevlucht in 1787 als aanhanger van de Patriotten, nadat hij het bestuur in Friesland had willen omvormen. Hij werkte hier in die jaren als wolkammer maar kon bij de komst van de Fransen in 1795 weer naar Franeker terugkeren. Het Gerkesklooster had hier in de middeleeuwen een voorwerk in het nieuwe ingepolderde land. Het dorp Visvliet zou zijn naam danken aan de rijkdom aan vis in de Lauwers.

De kerk van Visvliet
Het muurwerk van de kerk van Visvliet gaat schuil achter een witte pleisterlaag uit 1885 waarin natuurstenen blokken zijn aangebracht. Volgens een opschrift op een steen in de westgevel is deze gotische kerk gesticht in 1427. De oorspronkelijke spitsboogvensters werden rond 1700 veranderd in rondbogen en de steunberen werden op enkele na verwijderd. De kerk kreeg in het begin van de 17de eeuw en dijkruiter met windvaan in de vorm van een vis die verwijst naar de naam van het dorp. In de toren hangt een klok uit 1630, gegoten door Hans Falck van Nueremberg te Leeuwarden. Van het meubilair zijn de herenbanken het oudst, ze stammen uit de tweede helft van de 17de eeuw en hebben een typische renaissance- versiering. De preekstoel heeft ionische zuiltjes en op het voorpaneel staan doodssymbolen: een schedel met lauwerkrans, een zandloper en een perkament met het opschrift: 1714. Daaronder een visje in een Vliet. De overige panelen hebben een versiering, bestaande uit strikken, bladeren en bloemen. De voorzangerslezenaar wordt gesierd met een vis in het water, naast enkele andere symbolen. In de koorsluiting treffen we aan de zuidzijde een piscina aan en in de zuidwand is een gedenksteen ingemetseld voor Gerardus Wiltinck van Dwingel, de dertigste abt van het klooster Jerusalem (Gerkesklooster) met vermelding van de roggeprijs in 1557.Het orgel werd in 1869 gebouw door Petrus van Oeckelen.

Watermolen Hilmahuisterpolder
Deze achtkante bovenkruier werd in 1868 gebouwd voor de bemaling van de Hilmahuisterpolder , met een grootte van 240 hectare. De molen staat op veldmuren, heeft een rieten kap, is zelfzwichtend en heeft een vlucht van 17,40 meter. De molen werd hersteld in 1950 maar tijdens de beruchte storm van 13 november 1972 liep de molen ernstige schade op. Na een grondige restauratie kon de molen in 1978 weer in gebruik worden genomen.
De molen staat anderhalve kilometer ten zuidwesten van Visvliet en aan de oostzijde van de Lauwers, ten noorden van de spoorbaan Groningen-Leeuwarden.

Pieterzijl
Vlak bij het huidige Pieterzijl lag ooit hoogte of een zandbank in de kwelder, die omstreeks 1300 omdijkt waardoor de Westerwaard ten zuiden van Pieterzij ontstond. Hierop volgden een aantal inpolderingen en de verhoging van de natuurlijke wallen langs de Lauwers tot dijken. In de Lauwers werd een dam gelegd en deze stroom werd omgeleid door een nieuw kanaal dat later het Pieterzijlsterdiep genoemd werd. Een vaart naar de Munnekzijl kwam er met behulp van de Zuiderriet, die door de Ruigewaard liep. Zo werd met deze waterstaatwerken rond Pieterzijl de basis gelegd voor de dijk rond de Ruigewaard, waarmee rond 1425 kon worden begonnen. De zijl van Pieterzijl heeft maar korte tijd bestaan en werd door een brug vervangen nadat de Munnekezijl haar taak had overgenomen.


Jan Oldenhuis


(Stoom-) zuivelfabriek Grijpskerk
Als aan het eind van de 19e eeuw zuivelfabrieken worden opgericht in Zuidbroek, Winschoten en Aduard, neemt landbouwer Gaele Hoekstra het initiatief voor een bijeenkomst van belangstellenden om te komen tot een zuivelfabriek in Grijpskerk. Uiteindelijk leiden alle activiteiten tot de stichting van een fabriek aan de Riet aan de Waardweg, waar het gebouw nog steeds staat. De eerste fabriek bestaat uit een ketel- en machinekamer, een karn- en ontromingslokaal, een koelkamer, een boter- en pekelkelder, een kaaslokaal en een spoelplaats. In een uitbouw zijn een kaaspakhuis met ijshuis en een kolenbergplaats gevestigd.
Op 16 december 1888 wordt de acte van oprichting in de vorm van een naamloze vennootschap door 18 landbouwers uit de omgeving van Grijpskerk getekend. Op 14 januari 1889 treedt de fabriek in werking.
De eerste directeur wordt de eerdergenoemde initiatiefnemer Gaele Hoekstra. Deze wordt echter al in 1891 ontslagen en het dagelijks bestuur treedt af. Opvolgende directeuren zijn Klaas Eriks Azn (1891-1896), Jarig Wiglama (1896-1901) en Roelof Adrianus Feenstra (1901-1903). Daarna wordt Jan Derk Boersema directeur en hij zal de fabriek vele jaren, tot zijn ziekte in 1939, met grote deskundigheid leiden. Zijn schoonzoon Jacob Douwes Siebenga volgt hem op tot het eind van het bestaan van de fabriek in 1969.
Op 16 januari 1939 wordt het 50-jarig bestaan feestelijk gevierd. In het jubileumjaar wordt door 533 leveranciers ruim 20 miljoen kg melk aangeleverd, een record. Het productenspectrum bestaat uit boter, diverse kaassoorten (Gouda, -vooral- Edammer, brood, nagel, rand en Cheshire), volle en magere melk, gecondenseerde melk, caseïne (dit wordt gewonnen door afgeroomde melk met water te verdunnen en er vervolgens azijnzuur aan toe te voegen zodat de caseïne neerslaat; caseïne wordt ook wel kaasstof genoemd), pap en weipoeder.
De vijf oorlogsjaren en ook enkele jaren daarna worden, net als in de vorige oorlog, gekenmerkt door grote overheidsbemoeienis. Bepaalde producten mogen niet langer worden gemaakt (volle gecondenseerde melk en melkpoeder), andere moeten weer in voorgeschreven hoeveelheden worden geproduceerd (caseïne en verstuivingspoeder), dan moeten er weer producten aan andere zuivelfabrieken worden geleverd en soms staat de fabriek stil.
In het jaarverslag 1945-1946 wordt een tekort aan melkers geconstateerd en doet men in Engeland onderzoek naar machinaal melken. Er wordt een proef gestart met een verrijdbare melkmachine op een jeep. De deelnemers aan de proef blijken na een jaar erg tevreden te zijn, maar intussen hebben verschillende veehouders zelf een melkmachine aangeschaft, in de provincie Groningen een kleine vijftig bedrijven.
De export komt weer op gang: boter en kaas worden geëxporteerd naar veel Europese, maar ook tropische landen. De gecondenseerde melk met suiker gaat voornamelijk naar de tropische landen. In 1949 wordt de kaasmakerij te klein en wordt een grote kaasmakerij gebouwd, welke in 1951 gereed is.
In de zestiger jaren fuseert de melkfabriek van Grijpskerk met die van Gerkesklooster. De melkaanvoergebieden van beide fabrieken lopen sterk door elkaar. Van de 70 miljoen kg melk levert Gerkesklooster 40 miljoen en Grijpskerk 30 miljoen. Hoewel aanvankelijk nog sprake is van een rationele verdeling van de melkvoorraad, wordt heel snel de knoop doorgehakt ten gunste van Gerkesklooster. Zodra deze fabriek de totale melkvoorraad kan verwerken , gaat Grijpskerk in 1969 sluiten. Het personeel wordt grotendeels overgenomen.
In januari 1970 speelt zich de slotscène af van de eens zo welvarende zuivelfabriek en wordt de fabriek geveild. De veiling levert ƒ 427.000 op, waarvan slechts ƒ 103.000 voor de fabriek en ƒ 324.000 voor de inventaris. Op 14 mei 1980 verdwijnt het laatste restant van wat eens een bloeiende zuivelfabriek was en wordt de schoorsteen met anderhalve kilo springstof opgeblazen. Het gebouwencomplex doet nu dienst als bedrijfsverzamelgebouw.

Tymen Wierstra