Achtergrondinformatie 2008



In het programmaboekje van 2008 was veel te lezen over SPOREN. Ben Westerink, lid van Milieufederatie Groningen schreef een stuk over SPOREN in het landschap van Middag-Humsterland. Henny Groenendijk, provinciaal archeoloog Groningen, leverde een bijdrage over SPOREN van bewoning in Middag en Humsterland.

Uitgebreid Nieuws
SPOREN in het landschap van Middag-Humsterland
De geschiedenis van het landschap van Middag-Humsterland begint zo’n 3000 jaar geleden. Het gebied maakt dan nog deel uit van de Waddenzee. Vanuit zee wordt veel zand en slib aangevoerd waardoor het water steeds ondieper wordt. Als de gronden tenslotte volledig droogvallen spreken we van kwelders. Rond 600 voor Christus zijn de kwelders geschikt voor bewoning. Het land is vruchtbaar en begroeid met grazige weiden van kweldergras. De bewoning in deze periode is nog bescheiden, maar op de locatie van Ezinge en Feerwerd woonden toen al mensen. Omdat de zee nog onvoorspelbaar was, keerde men ’s winters weer terug naar de hoge zandgronden. Na verloop van tijd wagen pioniers het erop om zich definitief op de kwelders te vestigen. Daartoe moesten de woonplaatsen wel worden opgehoogd.

MIDDAG-HUMSTERLAND IN OPEENVOLGENDE PERIODES

Zo’n zes eeuwen later – rond het begin van onze jaartelling – is de situatie sterk verbeterd. De kwelders zijn verder aangegroeid en de zee overspoeld nog maar zelden het land. Het aantal woonplaatsen - in Groningen wierden genoemd - neemt in deze periode zeer sterk toe. Vrijwel alle wierden en vele verhoogde huisplaatsen van Middag-Humsterland zijn in deze periode ontstaan.

Twee eeuwen later gebeurd er iets onverwachts. De bevolking verdwijnt binnen enkele tientallen jaren vrijwel volledig uit de kuststreek. In de 4e en 5e eeuw woont er vrijwel niemand meer in het kleigebied van Friesland en Groningen. De oorzaak is onbekend maar kan samenhangen met de periode van “Volksverhuizingen”. Vanaf de 6e eeuw neemt de bewoning weer geleidelijk toe. De verlaten wierden worden weer bewoond. In de loop van de 8ste eeuw gaat het echter weer mis. De zee krijgt vat op het kwelderland. Grote stukken kleiland worden weggespoeld. De oorzaak zou wel eens menselijke activiteit kunnen zijn. Mogelijk heeft het vergraven van veen onder het kleidek bijgedragen tot deze catastrofe. Na de inbraak (die éénmalig kan zijn geweest maar ook geleidelijk kan hebben plaatsgevonden) ziet de landkaart er totaal anders uit. De Lauwerszee is ontstaan en voor het eerst is er sprake van het eiland Humsterland en het (schier)eiland Middag. Ook de Marne is een eiland geworden.

De dreiging van de zee zal eeuwenlang aanhouden. De woonplaatsen werden steeds verder opgehoogd en groeiden uit van lage huiswierden tot hogere en grotere dorpswierden, die tot vijf meter boven hun omgeving uitsteken. Vanaf de 12e eeuw beginnen de bewoners van de kwelders op grote schaal dijken aan te leggen. De eilanden Middag en Humsterland werden elk door een ringdijk omgeven. Deze oude dijken zijn nog altijd als “sporen” in het landschap terug te vinden. Af en toe brak het water door de dijken. De kolkgaten in het landschap zijn hiervan stille getuigen. Veel van de
oude dijken hebben in de loop der eeuwen hun functie verloren en zijn vergraven tot (locale) wegen.
De talloze kromme sloten, die het gebied zo kenmerken, zijn de restanten van het kreken- en prielensysteem. De wegen zijn kronkelig en aangelegd op de hogere gronden naast de geulen.
Dit landschap ademt een historie van duizenden jaren, maar het vraagt een geoefend oog om alles te kunnen zien en te ervaren. Op basis van de combinatie van gaafheid en cultuurhistorische waarden is het gebied benoemd tot nationaal landschap.

EEN VAN DE VELE KRONKELENDE SLOTEN

De geulen tussen de eilanden Middag en Humsterland zijn in de late middeleeuwen dichtgeslibd en door dijken afgedamd. Tijdens de fietstocht zal de route op diverse plaatsen over de oude dijken leiden.

Ben Westerink.
LId van Milieufederatie Groningen

SPOREN van bewoning in Middag en Humsterland
Middag en Humsterland, vaak in één adem genoemd. Je moet, wanneer je de kaart voor je hebt liggen, altijd even bedenken dat links Humsterland en rechts Middag ligt. Beide namen zijn oud en gaan terug tot de Vroege Middeleeuwen. Dat is op zich niet heel bijzonder, want ook veel dorpsnamen in het wierdengebied (die op -um eindigen) zijn uit die tijd. 'Humsterland' zou teruggaan op een stam met de naam Hugen. Hugmerki zou dan de mark van de Hugen zijn. Taalkundigen zeggen echter dat je voorzichtig moet zijn met het lokaliseren van stammen. Antieke bronnen laten zich zelden één op één in streeknamen vertalen en gebiedsgrenzen en stamaanduidingen waren tamelijk 'vloeibaar'. De naam Middag is eenduidiger. Er is een naamdeel dat naar een centrale ligging verwijst (midden-) en een deel dat 'eiland' betekent (-oog). Zo'n naam kon pas ontstaan toen het gebied door water was omringd, dus na de inbraken van de Lauwers die het Reitdiep met zijn zijtakken vormden. Maar tevoren waren het al aparte gouwen (kerngewesten). Als ene Gotricus in 786 of 787 landgoederen In Humsterland en Middag uit zijn privébezit schenkt aan de abdij van Echternach, dan zitten die gebieden nog vast aan de bewoonde kwelders ten noorden van het huidige Reitdiep. Het Reitdiep ontstond korte tijd later.

Gaan we op zoek naar sporen van de oude bewoners dan komen we bij de wierden terecht, een type monument dat zijn weerga in Europa niet kent. Wierden zijn compacte bronnen van informatie over woonvormen, bestaansmiddelen en begrafenisritueel uit een ver verleden. De opeenstapeling van woonlagen weerspiegelt de tijdsvolgorde en de bodem zelf (klei en mest) is het best denkbare archief. Allerlei kwetsbare voorwerpen zijn er goed in bewaard gebleven.

WIERDE BIJ NIEHOVE

Maar eerst woonde men gewoon op de vlakke kwelder. Zo'n type bewoning heet een vlaknederzetting - de eerste verschijnen omstreeks 550 voor Chr. Op getijdeafzettingen kon men niet wonen, wel op de hoog opgeslibde kwelder. Permanent bewoonbaar is een plek pas als er akkerbouw mogelijk is. In tegenstelling tot wierden zien we vlaknederzettingen niet met het blote oog: ze komen alleen bij toeval aan het licht, bijvoorbeeld wanneer een sloot wordt gegraven, want ze zijn later weer overslibd. Vanaf de vierde eeuw voor Christus gaat men wierden opwerpen. Iedereen denkt dat het bouwen van wierden een direct gevolg is van een verhoogde activiteit van de zee, maar pas op, er blijken grote verschillen te zijn in de snelheid en de mate van ophoging. Neem bijvoorbeeld de IJzertijd in het noordelijk kustgebied. Daar blijken de cijfers voor de dikte van het ophogingspakket van wierde tot wierde te verschillen en niet eens een regionale tendens te vertonen. Tegelijk worden er nog vlaknederzettingen gesticht.

Hoe kan dat? De kust was onbedijkt en in de riviermondingen liepen de vloeden lang niet zo hoog op als in bedijkte toestand. Het achterland bleef nog van extreem hoge waterstanden verschoond. Alleen stormvloeden vormden een grote dreiging. Was een wierde eenmaal boven stormvloedniveau uitgegroeid, dan vormt de hoogte meer een maat voor de duur van de bewoning dan voor de dreiging van het water. Langdurige bewoning op één plek creëert vanzelf een ophoping van materiaal, van een afgebrokkelde huiswand (die vaak uit zoden was opgebouwd) of van een mestpakket in de stal. Uitruimen had niet zoveel zin, er bovenop bouwen was gemakkelijker. Sommige wierden rezen tot meer dan zes meter boven het toenmalige zeeniveau. Dat was meer dan genoeg om droge voeten te houden.

Met veel gave, goed zichtbare wierden krijgt men in Middag-Humsterland een ruimtelijk beeld van de bewonings¬dichtheid in de wierdentijd. In de eerste eeuw na Christus was het Fries-Groningse kustgebied op Europese schaal gezien zeer dichtbevolkt. Het aantal dorpen wordt er geschat op 1500! De onderlinge afstand tussen de dorpen bedraagt vaak niet meer dan een kilometer. In het boomloze landschap kon men letterlijk zien wat de buren deden. Men kan zich een voorstelling maken van de sociale controle die dat met zich mee bracht. Laten we niet vergeten dat het hele leven zo'n tweeduizend jaar geleden werd bepaald door do's en don'ts, dat alles aan gedragsregels was gebonden. Via bodemvondsten zien we nu ook verschillen tussen wierden afzonderlijk opdoemen. Ezinge leverde bijvoorbeeld in de Romeinse tijd nogal wat manschappen voor de Romeinse hulptroepen. Zij die terugkeerden uit krijgsdienst namen luxe goederen uit de antieke wereld mee. Englum daarentegen, twee dorpen naar het westen, is nooit door de antieke wereld aangeraakt en leverde ook nauwelijks metaalvondsten op. Vergeleken met de martiale inslag van de Ezingers waren de Englumers maar eenvoudige lieden.

De variatie aan typen wierden is groot In Middag en Humsterland. Feerwerd bestaat eigenlijk uit drie afzonderlijke wierden die zijn samengegroeid, maar nooit de hoogte van Ezinge bereikten. De rechthoekige verkaveling is er gaan overheersen toen er een borg met toebehoren verscheen. Ezinge daarentegen vertoont nog steeds de radiale verkaveling die zo kenmerkend wordt geacht voor een oude kernwierde die geleidelijk uitdijde. De perceelsindeling blijkt daar inderdaad al van voor het begin van de jaartelling te stammen. Of radiale verkavelingen altijd zeer oud zijn, is nog maar de vraag. Niehove is een prachtvoorbeeld van een wierde met radiale verkaveling, waar bovendien de kerk de centrale plek inneemt. Het patroon van wegen richt zich ernaar. Oldehove heeft een heel andere indeling met een hoekig wegenpatroon; alleen voor de kerk werd hier een wierde opgeworpen. Toch is Oldehove de belangrijkste plaats van Humsterland in de Vroege Middeleeuwen. Englum is een schoolvoorbeeld van een situatie waar de dijk van het Reitdiepdal zich richtte naar de ligging van een wierde. En vergeet vooral de kleine groene wierden in Middag niet, bebouwd met slechts één enkele boerderij of soms geheel onbehuisd. Hier herkent men het oude kavelpatroon vaak niet meer; hier zijn de boeren al weggetrokken toen de dijken eenmaal veilig genoeg waren. Niemand herinnert zich nog de oude bewoners, maar hun nalatenschap zit nog in de grond.

DE WIERDE ENGLUM

Englum verdient nog om een andere reden vermelding. De wierde kreeg pas in 2006 de huidige vorm. Nog in 2000 was hier minder dan de helft van de wierde over, de rest was een soort badkuip die bij hevige regenval vol water liep. Dat was het gevolg van een afgraving met commercieel oogmerk, die al van het begin van de vorige eeuw dateert. In die tijd verdween de vruchtbare wierdegrond met schepen vol naar arme zand- en veengronden. Englum kreeg de laatste jaren veel publicitaire aandacht. In de eerste plaats vanwege het succesvolle archeologische onderzoek dat in 2000 de steilwand van de oude afgraving tot onderwerp had en een gelaagdheid van 23 eeuwen bewoning blootlegde. Maar ook omdat Englum als eerste wierde in Groningen grootscheeps is aangepakt in het kader van landschapsherstel. De badkuip is in zijn geheel aangevuld met 85.000 kuub bodemmateriaal uit het Reitdiep en de Kommerzijlsterriet. Met die herstelactie droogt en zakt de rest van de wierde niet verder uit en krijgt de boer er een goed stuk land voor terug. Vijf jaar lang lag hier een lelijk modderdepot omgeven met een kade. Maar nu ligt de wierde er weer netjes bij en benadert de vorm weer het uiterlijk van een kleine eeuw geleden.

Henny Groenendijk
provinciaal archeoloog Groningen


Middag-Humsterland en het klooster Aduard
Het Middag-Humsterland behoort tot één van de oudste cultuurlandschappen van West-Europa. Het landschap is ooit ontstaan uit een kwelder die vanuit de Waddenzee werd gevormd. Ver voor de jaartelling werd het gebied al bewoond en in cultuur gebracht. Het land was populair vanwege de vruchtbare klei. Maar het was ook gevaarlijk om er te wonen, omdat de zee vrij spel had. De bewoners beschermden zichzelf en het vee tegen het water door op kunstmatig aangelegde heuvels te gaan wonen, de zogenaamde wierden.

In de middeleeuwen begon men met de aanleg van dijken en is de wierdentijd voorbij. De monniken van het Cisterciënzer St. Bernardusklooster te Aduard hebben in het gebied veel werk verricht. Zij pakten de bedijking en inpoldering op vakkundige wijze en op grote schaal aan. Ook legden zij waterwegen aan, waardoor het gebied beter te ontwateren was en beter te bereiken.

Het St. Bernardusklooster in Aduard wordt in 1192 gesticht door de monniken van het klooster Klaarkamp bij Rinsumageest in Friesland. Cisterciënzer monniken vestigden zich altijd in afgelegen gebieden, ver weg van de bewoonde wereld. Dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld de bedelorden, die hun kloosters juist in de steden bouwden. Doordat de Cisterciënzers zich in afgelegen, slecht bereikbare gebieden vestigden, werden zij experts in het in cultuur brengen van land. Onbegaanbare gebieden wisten zij om te toveren tot vruchtbare landbouwgronden. Veel van haar rijkdom had de orde dan ook hier aan te danken.



Waterstaat
Toen de monniken in 1192 in Aduard aankwamen was het gebied Middag met een lage dijk omgeven. Het water had nog grotendeels vrij spel: van de hoger gelegen veengebieden en kwelderruggen ten zuiden van Aduard, stroomde het water via stroompjes in het Reitdiep en dan naar zee. Andersom overstroomde de zee nog grote delen van het gebied als de vloed hoog was. Om in dit gebied te kunnen overleven, was het dus noodzaak om in te grijpen.
En zo was een goede afwatering nodig om het water dat van het Drents plateau kwam af te voeren. Dit afwateringssysteem leverde grote hoeveelheden land op. In de 13e eeuw werd de dijk rond Middag opgehoogd en werden de gebieden Hoogemeeden-Zuiderham, het Nijland en de Noorderham ingepolderd.
Een gevolg was dat sommige waterstromen veranderden. Om het Peizerdiep bevaar te houden (dit was van belang in verband met de handel over water), legden de monniken rond 1313 bij boerderij Arbere werd het gebiedswater afgevoerd naar de Kliefsloot en zo naar het Reitdiep. Door het dichtslibben van de Kliefsloot (een oude zee-inham, die de scheiding vormde tussen Humsterland en Middag) werd de afwatering steeds moeilijker. In 1382 werd daarom begonnen met het graven van het Aduarderdiep, waardoor de bovenloop van het Peizerdiep rechtstreeks met het Reitdiep werd verbonden. Bij Aduarderzijl, zoals de naam van de plaats al doet vermoeden, een sluis aangelegd. In 1489 werd de Kliefsloot afgedamd en het gebied aan weerszijden van deze waterloop ingepolderd. Middag en Humsterland waren nu één geheel. Het Peizerdiep was bij Aduard zover dichtgeslibd, dat de monniken tussen Nieuwklap en het kloosterterrein het kanaal De Lindt groeven. Omdat de kanalen en andere waterlopen door verschillende gebieden liepen, verenigden het klooster Aduard en de andere grondbezitters zich rond het begin van de 14e eeuw in het waterschap genaamd Aduarder Zijlvest. De eerste oorkonde stamt uit 1313, als de abt van Aduard een overeenkomst met de zijlvesten van Lieuwerderwolde (ongeveer het gebied van de voormalige gemeente Hoogkerk), Roderwolde en Foxwolde sluit over het onderhoud van de Kliefsloot en de sluis bij Arbere. Als zijlvest kon men gezamenlijk adequater optreden op het gebied van waterbeheersing. Dit kwam de landbouw ten goede.

Landbouw
Omdat elk Cisterciënzer klooster in zijn eigen onderhoud moest voorzien, was er binnen de orde veel aandacht voor landbouwvernieuwing. Op grote schaal werden nieuwe landbouwtechnieken toegepast. Dit leverde vaak grotere oogsten op. Het overschot van de oogst kon weer verkocht worden.

De schaalvergroting van landbouw was mogelijk, omdat de Cisterciënzer orde werkte met een systeem van koormonniken en conversen. Op zijn hoogtepunt had het klooster Aduard zo’n honderd koormonniken en tweehonderd conversen. De koormonniken verbleven in het klooster zelf. Hun dagindeling was gebaseerd op het geestelijke aspect van het monnikenleven (ora). Koormonniken waren vaak afkomstig uit gegoede families. De conversen, ook wel lekenbroeders genaamd, kwamen vaak uit de lagere milieus. Zij verrichtten het handwerk (labora) in het klooster. Zij waren dan ook degenen die op het land werkten. Tijdens hun werk op het land verbleven ze op de kloosterboerderijen, de zogenaamde voorwerken. Vaak was bij zo’n voorwerk een kapel, eetzaal en slaapzaal. Het voorwerk was eigenlijk een klein klooster op zich. In Middag-Humsterland zijn hier nog sporen van te vinden, zoals het Aduarder en Fransumer voorwerk, maar ook Schillingeham, Langeweer en Laagemeeden. De plaats waar nu boerderij Arbere staat (Kerkje Harkema), was in de kloostertijd vermoedelijk een graanschuur. Arbere betekent namelijk in het oud-Fries graanschuur.

FRANSUMER VOORWERK

Andere voorwerken waren:
• Roodeschool (noordoosten van Bedum), oorspronkelijk een kloosterschool
• Washuis (onzeker) (in de buurt van Nieuwklap). Diende vermoedelijk ter controle van een daar gelegen sluis in het Aduarder diep
• Langeweer (te Den Horn). Hier lagen enkele tichelwerken (steenbakkerijen). In de 14e eeuw werd hier een kapel gesticht.
• Lagemeeden (bij Den Horn). Met een tichelwerk. In de 14e eeuw werd hier een kapel gesticht, waar de arm van de heilige Margaretha werd vereerd.
• Wolfsbarge, met een kapel, die doop- en begrafenisrechten kreeg.
• Everswolde. Vanuit Everswolde en Wolfsbarge ontginde klooster Aduard het veen in de omgeving van het Zuidlaardermeer.
• Terheil of Terhelle (ten zuiden van Leek). Met tichelwerk en kapel, later verbouwd tot een luxe slot met koepeltoren en keldergewelven. Bij Terheijl liggen de bossen van de abdij.
• Schillingeham (ten westen van Winsum)
• Marum (twijfelachtig)

De oorspronkelijke kloosterboerderijen zijn verdwenen en alleen de naam herinnert nog aan de kloostertijd.

Doordat de oogstopbrengsten groter waren dan nodig, verkochten de Aduarder monniken hun overschotten/ In hun stadshof aan de Munnikeholm in Groningen werden de goederen opgeslagen om daarna verkocht te worden. De handel bleef echter niet beperkt tot Groningen en omgeving. Ook voer men naar met schepen naar Hamburg en andere Noord-Duitse steden en er zijn zelfs aanwijzingen dat men naar de belangrijkste handelscentra in de Middeleeuwen, zoals Gent en Brugge en de Engelse oostkust, voer.

Alina Dijk
Lid van het Comité Open Monumentendag Zuidhorn