Home Organisatie Monumenten Activiteiten Terugblik Weblinks Contact Zoeken
 



Johan Ripperda
Toehoorders dank dat u hier bent,
Ben zeer verbaasd omdat u mij niet kent,
Dat duurt niet lang nu ik hier voor u sta,
De naam, Johan Willem Ripperda.
Ik stam dat kunt ge van mij geloven,
Van Jensema van Oldehove.
Hoort nu aandachtig mijn verhaal,
Ik spreek het uit in klare taal.
Zonder mij daarin te vergissen,
U hoeft geen woord ervan te missen.
Ďk ben edelman, avonturier,
Daarvan vertel ik jullie hier.
Ik bestuurde ooit de ommelanden,
Bestreed daarbij ook mistoestanden.
Zat zelfs in Groningen in de raad,
Was burgemeester inderdaad.
Kreeg blanco volmacht van de stad,
Zodat ik het voor het zeggen had,
Om aan te kopen wat leek van nut,
Geen geld in bodemloze put.

De borg en het land van Aduard,
Sloot ik met liefde in het hart.
Geen kapitaal. Hoe dit in ít vat gegoten?
Burgemeesters hebben voorgeschoten.
Wel bijna anderhalve ton
Zodat ik het verwerven kon.
Bedreef er ook de politiek,
Tot in den haag zelfs, dus heel chique.
Maar ít werd mij door de neus geboord,
Omdat een vorst naar prietpraat hoort.
En zo werd rampspoed snel mijn deel,
Men vond ik had nu veel te veel.
Dus werd alles mij ontnomen,
Was tot de bedelstaf gekomen.
Toen had ik het voorgoed gehad.
Ik leek de marionet van stad.
Besloot dat ik van nu af aan,
Alleen over mijzelf zou gaan.
Ik, Ripperda, ít zij laat, ít zij vroeg,
Heb het met Ripperda druk genoeg.

Uit nood de handel ingegaan
Als lakenkoopman nu voortaan
ik beurde niet veel winst daarvan
Dus kwam er snel een ander plan:
Naar Oostenrijk, naar hoofdstad wenen
Om daar mijn diensten te verlenen.
Maakte het vorstenhuis daar wijs,
De hertogtitel was een eis
Des keizers en wel zeer gemeend.
Die titel werd mij dus verleend.
Ik stortte mij in het mondaine leven
Om de nieuwbakken titel glans te geven
Huurde een paleis en kocht karossen
Waarbij ik mij rijk uit kon dossen.
Dat alles leek mij doodgewoon,
Plus op mijn wapen de hertogkroon.
Daarna kwam er een nieuwe stunt:
Dat de keizersdochters, twee prinsessen
Dus in de toekomst heerseressen
Met een Spaanse prins, dus alle twee,
Gingen met de huwelijksboot in zee.

Toen liet ik mij minister maken,
Van alle buitenlandse zaken.
Omdat het mee- en tegen zit,
Vertrok ik spoorslags naar Madrid.
Door mijn verward hap-snap beleid,
Was er tijdens een lange tijd,
Geen kop of staart te ontdekken.
Ik zou wellicht moeten vertrekken.
Het instrument van al mijn glorie,
Was nu voorgoed passe, jandorie
Het was, dat durf ik wel verwedden,
Nu middel om het lijf te redden.
Raad van CastiliŽ metterdaad,
Betichtte mij van hoogverraad.
Maar door mijn onverwachte vlucht,
Waren bestuurders zeer beducht.
Dat voor de koning was verdwenen,
Hij mij nog gratie zou verlenen.

In Ierland, daar in Cork met name,
Kwam ik met mijn getrouwen samen.
We reisden door naar Londen,
Waar bij de banken reserves stonden.
Is was de sensatie van het seizoen,
Exploiteerde mijn eigen mythe toen.
In het sociale leven nu een ster,
Maar wat ik wenste was nog ver.
Op acceptatie zat al sleet,
Politiek nu uitgedoofd komeet.
Kreeg overduidelijk te verstaan,
Dat ik maar beter weg kon gaan.
Ik deed dat met mijn gevolg incluis,
Nam dus de boot naar Hellevoetsluis.
Ging naar den haag, op stand verplicht,
Al kwam de schatkistbodem snel in zicht.

Maar wonderbaarlijk on verwacht,
Verdween het gevaar mij toegebracht.
Ontmoette Peres, slavenhandelaar,
En werd diens tolk in wassenaar.
Marokko leek mijn volgend land,
Deed sultan veel ideeŽn aan de hand.
Ik ging er heen, beloofde trouw,
Meet bijzit Josepha als mijn vrouw.
Zo kwamen wij Marokko in,
Als een welvarend huisgezin.
Opnieuw kreeg ik wind in de rug,
En kwam als militair terug.
De sultan-moeder die drong aan,
Dat ik ten oorlog weer zou gaan.
En dit was meer dan ideaal:
Ik kwam terug als generaal.
Hoewel ik vaak op ít slagveld won,
Vertrok il met de noorderzon.
Waarom? Zult gij waarschijnlijk vragen,
Omdat ik soms ook werd verslagen.
Verpletterend vlakbij Oran,
En daar herstelde ik niet van.
Op het nippertje, de tijd was kort,
Als zoutzak op een kameel gesjord,
Wist ik nog te ontkomen,
Het was, ik zeg heet echt niet graag,
Het einde van mijn dromen.
Ik nam ontslag, bleef aan het hof,
Daar kon ik weer mijn glansrol spelen,
Wat in Europa niet meer kon:
Dat waren luchtkastelen.
Wij immigranten wisten niet,
Hoe het er bij stond in dat gebied.
Verwarring, chaos was er troef,
Dat ging gepaard met pief-paf-poef!

Dan wacht er mij een nieuwe taak,
Daar de sultane mij voor een zaak,
Naar de hoofdstad Meknes had ontboden,
Wist ik voor wapenaankoop de methoden?
Hoe konden wapens geÔmporteerd,
Voor de strijd in Tunis fel begeerd.
Dus ging ik er persoonlijk heen,
Voor aankoop in het algemeen
Bestelde, wachtte op leverantie,
want het betrof een zaak van hoge importantie.
Toen ik een aanval kreeg van jicht,
Werden mijn plannen helaas ontwricht.
Naar arts Buongiorno voor consult,
Wilde eraf, had geen geduld.

Ontmoette daar, hoe of het kon?
Baron van Neuhoff, een compagnon.
Die had een grillige carriŤre,
En altijd een of andere affaire.
Jonkers uit Groningen en Westfalen,
Konden ít bondgenootschap nu herhalen.
Zo ging het gesprek dan ook weldra,
Over de stunt op Corsica.
Neuhoff bedreef diplomatie,
Voor Corsica als monarchie.
Hij is naar Tunis toen gegaan,
En zei dat elke Corsicaan,
Mij, Ripperda als koning wou,
Die men in Alesani kronen zou.
Alessandro Theodoro il primo als naam,
Met toeters en bellen, de hele santenkraam.
Van het goede onwaarschijnlijk veel: het was mijn laatste luchtkasteel.
Een zeepbel en ook nog een brose,
Met voorspelbare apotheose.

Door domheid, door Neuhoff misleid,
Raak ik in dit avontuur mij zelven kwijt.
Slechts een droevig figuur, niet te verhelen,
Te oud om nog don Quichotte te spelen.
Onpasselijk van echt heimwee,
Wilde naar Oldehove over zee.
Maar slechts het boetekleed was toegelaten,
Bewakers hielden mij in de gaten.
Later na een moeizame vaart en een orkaan
Arriveerde ik in Tetuan.
Zidane, mijn beschermvrouwe tot op heden,
Bleek daar te zijn overleden.
Sultaneís zoon, ít was cruciaal,
Die wist niets van het kapitaal
Dat mij destijds was toevertrouwd,
En dat ik in beheer nog houd.

Maar goed dat al mijn daden waren,
Vrij van verplichting die te verklaren.
Dat dit zo bleef mocht ik wel hopen
Omdat het dan slecht af zou lopen.
En dat deed het desondanks toch,
Het verraad van Neuhoff was er nog.
Had mij ít verkeerde doen geloven.
En dat kwam ik niet meer te boven.
Mijn gezondheid die ging achteruit,
Ik kwam het bed haast niet meer uit.
Wilde Marokko nu verlaten,
Over de zee, ondanks piraten.
Het laatste zilverwerk verkocht,
Om daarmee dan de overtocht,
Naar Oldehove te betalen.
Ik zei vaarwel tot mijn getrouwen,
Die ik als vrienden blijf beschouwen.
Tijd om te gaan, misschien voorgoed
Hoewel dat er eigenlijk niet toe doet.

Het was voor mij een grote eer,
Ik ga en groet u allen zeer.